Verkeerslichten
Liever geen onnodige verkeerslichten voor fietsers
Tekst laatst aangepast augustus 2026
Verkeerslichten (VRI, VerkeersRegelInstallatie) zijn soms noodzakelijk om grote verkeersstromen veilig te regelen. Maar waar ze niet nodig zijn, kunnen ze voor fietsers een flinke bron van frustratie zijn. Een fietser wil zich zo soepel mogelijk door het verkeer kunnen verplaatsen, zonder bij ieder kruispunt onnodig te hoeven wachten. De Fietsersbond pleit daarom voor fietsroutes met zo min mogelijk onnodig wachten bij verkeerslichten.
Kan het ook anders?
Alternatieven voor verkeerslichten zijn bijvoorbeeld:
- Een rotonde.
- Een voorrangsplein, voorbeelden in Utrecht op de Marnixlaan en ’t Goylaan.
- Aanpassing van het kruispunt, bijvoorbeeld door het aanbrengen van middengeleiders zodat fietsers en voetgangers in twee delen kunnen oversteken. Voorbeeld in Utrecht, Catharijnesingel – Nicolaas Beetsstraat.
Fietsvriendelijke verkeerslichten
En staat er wel een verkeerslicht, dan moet de regeling zo fietsvriendelijk mogelijk zijn. Fietsers wachten dan zo kort mogelijk en kunnen zo veel mogelijk doorrijden. Dat is belangrijk voor de aantrekkelijkheid van de fiets, maar ook omdat stoppen en weer op gang komen extra energie kost. Vooral voor ouderen, mensen met veel bagage of mensen met een beperking kan dat een flinke belasting zijn.
Je kunt bij een verkeerslicht twee vragen stellen: is het verkeerslicht nodig? En als het nodig is, is het dan zo fietsvriendelijk mogelijk geregeld?
Voor lokale afdelingen van de Fietsersbond is dit dan ook een terugkerend onderwerp. Gemeenten kunnen worden aangesproken op slecht afgestelde verkeerslichten, verouderde detectie en onnodig lange of onlogische wachttijden.
Hoe werkt een verkeerslicht?
Een verkeerslicht werkt volgens een vast patroon: de cyclus. Verkeersrichtingen krijgen na elkaar groen, zodat het verkeer veilig het kruispunt kan passeren. Hoe lang een richting groen krijgt en wanneer die aan de beurt is, hangt af van de verkeerssituatie, de manier waarop het kruispunt is ingericht en hoe de verkeerslichtenregeling is ingesteld.

Twee begrippen die handig zijn om te kennen
Groentijd: de tijd die een verkeerslicht voor een bepaalde rijrichting daadwerkelijk groen is. Bij verkeersafhankelijke regelingen varieert deze tijd per cyclus: zolang er verkeer wordt gedetecteerd verlengt het groen, en zodra de detectie wegvalt gaat het licht na een ingestelde minimum- en vóór een maximumduur naar geel/rood.
Ontruimingstijd: de tijd tussen het rood worden van de ene richting en het groen worden van de kruisende richting. Die tijd is nodig om het kruispunt veilig vrij te maken voordat het andere verkeer groen krijgt.
Fietsers worden gedetecteerd met lussen in het wegdek en/of door op een knop te drukken. Nieuwere, intelligente verkeersregelinstallaties (iVRI’s) kunnen communiceren met naderende fietsers als die een app op de smartphone hebben. Zo kunnen ze bijvoorbeeld eerder zien dat er een fietser aankomt en daar in de regeling rekening mee houden.
Een afteller bij een verkeerslicht geeft fietsers meer informatie over wanneer het licht op groen springt. Onderzoek laat zien dat dit het gedrag kan beïnvloeden, bijvoorbeeld doordat fietsers hun snelheid aanpassen. Het effect op door rood fietsen is echter niet eenduidig: sommige studies vinden een afname, terwijl andere geen effect of juist een toename zien.
Wat maakt een verkeerslicht fietsvriendelijk?
Een fietsvriendelijk verkeerslicht zorgt ervoor dat fietsers veilig en met zo min mogelijk wachten kunnen doorrijden. Er zijn verschillende maatregelen die daarbij kunnen helpen:
Goede detectie: fietsers worden automatisch en op tijd opgemerkt, zonder dat ze op een knop hoeven te drukken. Lussen op 30 meter afstand zijn nodig om fietsers op tijd groen te geven of het groen te verlengen.
Mogelijkheid verlengen van de groenfase: als er nog fietsers aankomen, kan het licht langer groen blijven.
Vaker groen: voor fietsers is het vaak gunstiger om vaker kort groen te krijgen dan om één lange groenfase te hebben. Zo wordt de wachttijd korter.
Alle Fietsers Tegelijk Groen (AFTG): alle fietsrichtingen krijgen tegelijkertijd groen, onafhankelijk van het autoverkeer. Dat kan zowel de veiligheid als de doorstroming verbeteren. Niet alle fietsers zijn echter enthousiast over deze regeling.
Fietsers meerdere keren per cyclus groen: als een volledige cyclus lang is, kan het helpen om fietsers vaker aan de beurt te laten komen.
Slimme prioritering: rustige richtingen die conflicteren met de fietsrichting kunnen weinig groentijd/lage prioriteit krijgen. Conflicterend rechtsafverkeer kan zo worden ingesteld dat het alleen groen krijgt als andere conficterende richtingen van de fietsrichting ook groen hebben.
Wachtstand: is er geen autoverkeer, dan staat het verkeerslicht voor fietsers standaard op groen.
Meer opstelstroken: als het autoverkeer meer opstelstroken heeft en opstelstroken per richting dan geeft dit een kortere cyclustijd waarvan de fietser ook profiteert.
Opgeblazen fietsopstelstrook (OFOS): fietsers krijgen een brede opstelplek vóór het autoverkeer. Dit is vooral handig bij links afslaan.
Rechtsaf door rood: op plekken waar dat veilig kan, mogen fietsers rechtsaf zonder op groen te hoeven wachten.
Waar kun je als vrijwilliger op letten?
Bij het schouwen van een kruispunt of bij herinrichting of een nieuw kruispunt is het vooral belangrijk om goed te kijken en te meten. Let bijvoorbeeld op:
- Hoe lang moeten fietsers daadwerkelijk wachten? Je kunt deze gegevens opvragen bij de wegbeheerder.
- Goede detectie? Worden fietsers automatisch en op tijd opgemerkt, zonder dat ze op een knop hoeven te drukken? Dit kan ook op afstand, met zogeheten verweglussen, die geven op tijd aan dat er een fietsers aankomt.
- Is de volgorde waarin de verschillende richtingen groen krijgen logisch?
- Kunnen fietsers meerdere kruispunten achter elkaar passeren zonder steeds te stoppen? (Bijvoorbeeld met een groene golf voor fietsers, al is dat vanwege de grote snelheidsverschillen lastig)
- Is de wachttijd redelijk in verhouding tot die van het autoverkeer?
- Is er alleen een drukknop terwijl automatische detectie mogelijk zou zijn?
- Is er voldoende opstelruimte voor wachtende fietsers, zodat ze andere fietsers niet blokkeren? Vaak is er voldoende ruimte om een fietsoversteek te verbreden.
- Bij oversteken met aan de overkant een fietspad: wordt het fietsverkeer op de overkant onderling geregeld, of moeten fietsers daar voorrang verlenen aan ander fietsverkeer? En is er in dat laatste geval voldoende opstelruimte, zodat fietsers niet op de rijbaan van het autoverkeer blijven staan?
- Regensensoren zijn een politiek dingetje. Als de fietser met regen meer groen kan krijgen, dan kan de fietser ook als het droog is meer groen krijgen, als het droog is, is er minder autoverkeer.
- Wachttijdvoorspellers of aftellers zijn vaak onbetrouwbaar, Wil je daar je geld aan uitgeven of bijvoorbeeld aan verweglussen die echt een kortere wachttijd opleveren.
- Een indicatie dat je ‘gezien’ bent door de detectielus of op de knop hebt gedrukt is wel fijn. Er gaat dan een lampje in het drukknoppaaltje branden of sommige lichten hebben een vierde lampje met ‘gezien’. Nog handiger omdat je dan niet naar het paaltje hoeft te kijken. Soms ‘ziet’ een lus je wel als je aan komt fietsen en als je erop staat niet meer. Dan is zo’n ‘gezien’ indicatie handig, toch nog even op het knopje drukken.

Valt iets op, bijvoorbeeld een onnodig lange wachttijd, slechte detectie of een onlogische regeling? Meld dat dan bij de wegbeheerder. Kijk daarbij waar mogelijk niet alleen naar één moment, maar observeer het kruispunt op verschillende momenten van de dag. De verkeerslichtenregeling kan immers anders reageren bij drukte dan wanneer het rustig is.
Wat is handig in de communicatie met de wegbeheerder?
De wegbeheerder geeft een nummer aan elk kruispunt met verkeerslichten. Bijvoorbeeld K0011 voor Utrecht CS is een bekend en heel druk OV en fietskruispunt. Bij een kruispunt met verkeerslichten is het altijd moeilijk om aan te geven om welke richting het gaat. Bij verkeersregelinstallaties heeft elke richting een nummer. Dit nummer staat meestal op het verkeerslicht. Als je met de wegbeheerder over een specifieke richting praat, is het handig om het nummer te kennen: zo weet je precies over welke richting het gaat. De nummering is logisch opgebouwd. Kort samengevat, zonder volledig te zijn:
- De nummers 01 – 12 worden gebruikt voor autorichtingen.
- De nummers 21 – 28 en 81 – 88 worden gebruikt voor fietsrichtignen
- De nummer 31 – 38 zijn voor voetgangers oversteken
Met dank aan Wouter Wagemakers voor zijn bijdrage aan dit artikel.
Heb je aanvullingen of vragen? Mail dan naar [email protected]